Malus sylvestris (bot.)
Rosaceae – roosfamilie
De appels die we op de markt, bij de boer of in de supermarkt kopen (malus domestica), stammen allemaal af van de wilde appel. Hij is de oerplant van de bekende veredelde appelsoorten die er in de loop van de jaren door selectie en kruising zijn verkregen. Hij wordt meestal niet hoger 10 meter en komt ook als struikvorm voor. De wilde appel hoort tot de zeldzame inheemse houtige gewassen. In België vinden we niet eens 150 exemplaren. Hij werd verdrongen door appelbomen met grotere en smaakvollere vruchten. De wilde appel vermeerdert zich moeilijk, en als er nieuwe boompjes groeien, worden zij bedreigd door vraat van edelhert en ree. Het is belangrijk om oerplanten te beschermen om van daaruit nieuwe rassen te telen. Er worden tegenwordig genen-en zaadbanken aangelegd.
Verspreiding Sporadisch vinden we wilde appelbomen nog in bossen van Europa en West-Azië. Hij groeit in het laagland, middelgebergte, loofbossen, heggen, struwelen van heel Europa en Klein-Azië op vochthoudende, voedselrijke bodem in de halfschaduw. In België vinden we enkele exemplaren ten zuiden van Leuven en in de Vlaamse Ardennen. Een kleine populatie bevindt zich ook in de Voerstreek. Naamgeving Het Latijnse woord malus betekent appelboom en sylvestris van het bos. Malus domestica is de naam voor onze gecultiveerde appel. Plantkenmerken De wilde appelboom heeft een brede, ronde, dicht vertakte kroon en twijgen met takdorens (dat zijn omgevormde korte loten). De gezaagde bladeren staan verspreid, zijn elliptisch tot eirond en hebben een toegespitste top.. De bladeren ontluiken in de eerste helft van mei, terwijl de bloesem in de tweede helft van mei verschijnt. De geurende bloemen die aan de toppen van de kortloten zitten, staan in vlakke bloeiwijzen. De tot 5 cm lange kroonbladeren zijn wit van binnen en roodachtig aan de buitenkant. De talrijke meeldraden zijn geel. De lang gesteelde appeltjes zijn
klein, bijna kogelrond en groenachtig geel, soms met een rood wangetje. Ze zijn
meestal erg zuur. De afbladderende schors is grijsbruin en fijn gegroefd met kleine, dunne schubben. De meeste cultuurvormen van de appel hebben meer behaarde bladeren en de vruchten zijn groter en zoeter. Oudere cultuursoorten dreigen helaas verloren te gaan omdat de markt zich op bepaalde soorten geconcentreerd heeft. Gebruik Al bij de Grieken en Romeinen werden wilde appel en wilde peer gecultiveerd. De Romeinen ontwikkelden de vaardigheid van het enten. In vlaanderen werden fruitbomen vaak aangeplant bij kloosters. Vanaf 1500 legde men ook kleine privé - boomgaarden aan.
De Kelten en Germanen gebruikten de kleine vruchten van de wilde appel om most te maken. Hiervoor werd het sap met honing vermengd. Als geneeskundige plant wordt de appel beschreven in een oud Babylonisch geschrift uit de 8e eeuw v.Chr. Beroemd was de kruidentuin van koning Mardukapaliddina. Tijdens de Middeleeuwen werd de appel als geneesmiddel aanbevolen met de waarschuwing, er niet te veel van te eten. De mensen zullen dit advies graag opgevolgd hebben, want de appels van toen waren erg zuur. De wilde appel was toen belangrijk als grondstof voor de bereiding van verjus, een zure vloeistof die gebruikt werd voor salades en om in te maken. In Normandië maakt men van wilde appels de bekende cider. Gedestilleerd verkrijgt men calvados. De wortels van de wilde appelboom werden vroeger gebruikt om wol te verven. Appelhout wordt gebruikt voor
draaierswerk, persen, betimmering, knopen, handvaten en meubels.
Symboliek In de mythologie staat de appel voor onsterfelijkheid en eeuwige jeugd. Ook is hij de sleutel tot kennis en alwetendheid. Als we de appel doorsnijden, zien we een pentagram, symbool van de spirituele mens. De ronde vorm van de appel wordt ook in verband gebracht met die van het vrouwelijk lichaam en de aarde. Zo symboliseert de rijksappel, een ronde bol met kruis in der linkerhand van koningen en keizers, de aardse macht.
Mythologie Bij de Babyloniers werd de godin Ischtar als appeldraagster vereerd, bij de Grieken was dit Aphrodite en bij de Germanen Iduna. In de Scandinavische mythologie staat de appel voor verjonging en regeneratie. De goden eten appels om tot het einde der tijden jong te blijven. Bij de Kelten is de appelboom
gewijd aan de god Abellio en aan Morrigan, een Keltische godin. Hier is de appel ook de
vrucht der kennis, magie en voorspelling. De tovenaar Merlijn gaf volgens de legende les onder een appelboom.
Voor de Galliërs was de appelboom net zo heilig als de eik. In de Griekse mythologie heeft de godin Hera de bewaking van de gouden appels (vruchten van onsterfelijkheid) overgedragen aan drie mooie vrouwen, de Hesperiden en de de draak Ladon. Het lukt Heracles, de draak te doden en de appels uit de tuin der Hesperiden te roven. De schone Atlanta nam aan hardloopwedstrijden met jonge mannen deel die zij altijd won. Uiteindelijk verloor zij een wedstrijd omdat haar tegenstander gouden appels uitstrooide, waardoor zij werd afgeleid. Eris, godin van de tweedracht, gooide een appel met het opschrift ‘voor de mooiste’ in het midden van de godinnen die aanwezig zijn op een bruiloft. Er ontstond ruzie. De Trojaanse prins Paris moest bepalen aan wie de appel toekwam. Hij koos Aphrodite en ontving als dank de belofte om met de mooie Helena, dochter van Agamemnon, te mogen trouwen. Haar ontvoering was de reden voor de Trojaanse Oorlog, veroorzaakt door een twistappel. Pomona was de Romeinse godin van de appels. Bij de Hebreeën is de appel de vrucht van de Boom des Levens en de Boom der Kennis van Goed en Kwaad. Het is trouwens niet zeker of het hierbij om de appel, de granaatappel, de kweeappel of de vijg gaat.
Sprookjes Ook in sprookjes spelen appels een belangrijke rol. In het sprookje van Vrouw Holle schudt de vlijtige Marie de rijpe appels van de boom en wordt met goud beloond. In het sprookje van de Duivel met de drie gouden haren moet het raadsel opgelost worden, waarom de boom die gouden appels draagt, geen bladeren meer krijgt. Sneeuwwitje wordt door een mooie rode, maar vergiftigde appel verleid. De Gouden Vogel is het verhaal van de roof van appels uit de koninklijke tuin. Wilhelm Tell moet een appel van het hoofd van zijn zoontje schieten.
Volksgebruik In het Britse Cornwall sliepen meisjes met een appel onder hun kussen. Daarmee hoopten zij het vinden van een goede man te bevorderen. Appelbloesem wordt nog steeds gebruikt om bruiden op te sieren. In Duitsland begroef men na de geboorte van een meisje de placenta onder een appelboom. In het Zwitserse Argau plant men een appelboom als er een jongen geboren wordt, een perenboom als het een meisje is. De appelpitten werden volgens Bretonse volksverhalen vaak gebruikt voor voorspellingen.
Kunst Typerend voor de late
Middeleeuwen zijn schilderijen waarop de Moeder Gods aan het Christuskind een
appel overhandigd. Dit staat symbolisch voor de overname door Christus van de
zonden der wereld, wat voor de mensheid verlossing betekent. Op veel
schilderijen staan appelbomen naast de Heilige Familie, b.v. op ‘De Heilige
Familie onder een appelboom’ van Rubens.
Wilde peer
Pyrus pyraster (bot.)
Rosaceae – rozenfamilie
De gecultiveerde peren (pyrus communis var. sativa) die het hele jaar door op de (super)markt te koop zijn of die we in onze eigen tuin kunnen oogsten, stammen allemaal af van de wilde peer die in de bossen van het laagland en middelgebergte van Europa en West-Azië groeit. De wilde peer is zeldzaam in Nederland en Vlaanderen. Enkele exemplaren vinden we nog in Oost-Gelderland.
Herkomst Oorspronkelijk stamt de de wilde peer uit Iran en Armenië, vanwaar zij via Griekenland en het Romeinse Rijk naar West-Europa kwam. In Zwitserland, Duitsland en Frankrijk vond men vruchten in paalbouwsels uit het late Neolithicum. Al toen vond er cultivering plaats door de grotere en lekkerste vruchten voor vermeerdering te gebruiken. Bij de Grieken was de cultuurpeer al 1000 jaar v.Chr. bekend. Voor hen was de peer een gift van de goden. Binnen het Romeinse Rijk was men intensief met het kweken van ca. 39 soorten bezig. 300 n.Chr. wordt voor het eerst over enten bericht.
Tegenwoordig groeit de wilde peer in het laagland, middelgebergte, loofbossen, heggen en struwelen van heel Europa en Klein-Azië. Hij prefereert vochthoudende, voedselrijke bodem in de halfschaduw. In Europa, Azië en Afrika komen er van het geslacht Pyrus ca. 20 soorten voor. Daarvan 10 in Europa tot een hoogte van 1600 m. In Noord-Amerika groeit wel de wilde appel, maar de wilde peer zoekt men daar tevergeefs. In Zuid-Duitsland is hij nog vaak te vinden in eikenloofbossen, struwelen, heggen en op zonnige hellingen met voedselrijke, meestal kalkhoudende grond. In Nederland en België komt hij bijna niet voor.
Plantkenmerken De wilde peer is een vrij langzaam groeiende struik of boom die een hoogte van 20 m kan bereiken. Als solitair kan hij nog hoger worden. Onder gunstige omstandigheden bereikt hij een leeftijd van 200 jaar. Lengte- en dwarsgroeven verdelen de grijsbruine schors in kleine stukken . De bladsteel is even lang als de bladeren zelf. Deze verschijnen eind april en zijn eivormig of rond en fijn gezaagd. De fijne beharing aan beide zijden verdwijnt gauw. Dan is de bovenzijde glanzend groen. In het najaar kleurt het loof rood, violet of geel. De bloemen die in april/mei (samen met de bladeren) verschijnen zijn wit met rode meeldraden en staan met ca. negen bij elkaar in een schermvormige bloeiwijze.
De vruchten zijn klein en bijna kogelrond of peervormig. Het vruchtvlees is gevuld met veel groepjes steencellen, waardoor het onrijp zuur en wrang smaakt. In rijpe toestand zijn de vruchten geel, groengeel of bruingeel, een beetje hart, maar best lekker, vooral na een vriesnacht. Maar dan moet je er vlug bij zijn, want zij rotten snel. De wilde peer vormt rijkelijk wortelopslag en kan hiermee een grote oppervlakte beslaan. Hij is al van verre van de wilde appel te onderscheiden door zijn meer open kroon, die gevormd wordt door de zijtakken van één stam, soms ook van meer stammen. Het jonge schot is lichtgrijs tot bruinachtig en draagt echte takdoorns, die centimeters lang zijn. De knoppen zijn grijs. De boom is vorstgevoelig en groeit daarom het liefst tussen andere bomen, die hem tegen vrieskou beschermen.
Ziektes De wilde peer heeft minder vaak dan de gecultiveerde peer last van vuurbrand, roest, schurft, fruitboomkanker, fruitboomspint.
Gebruik Hout van de wilde peer is nauwelijks op de markt. Het is lichter dan beuken - en eikenhout en moeilijker te splijten. Het is geschikt voor draai – en houtsnijwerk. Het wildeperenhout is ideaal voor houtverbindingen met schroeven of lijm en minder geschikt voor spijkers. Wat als perenhout verkocht wordt, stamt bijna altijd van de cultuurpeer af. De oude Grieken vervaardigden sculpturen en speerpunten van wildeperenhout. In Europa gebruikte men perenhout ook in de boekdrukkunst. Men maakte er zogenaamde 'drukblokken' van, waarin de letters uitgesneden werden. Van perenhout worden linialen, tekengereedschap, machinedelen, fruit – en wijnpersen vervaardigd. Deze voorwerpen maakt men tegenwoordig vaak van kunststof. Maar nog steeds vinden we spinnewielen, borstelruggen, keukengerei, kegels, paraplustokken, speelgoed, knopen en schroeven van perenhout. In de muziekinstrumentenindustrie maakt men van perenhout blokfluiten, mondharmonica’s en delen van piano’s en vleugels. De vruchten van de wilde peer bevatten pectine, fruitzuren en looistoffen. Samen met appels of cultuurperen kan men er brandewijn of azijn van produceren. Siroop van wilde peren werd vroeger gebruikt tegen diarree en migraine. Als voer voor zwijnen werden wilde peren al tijdens de Middeleeuwen gebruikt. In Duitsland werd het in 1749 verboden, om de vruchten in de bossen op te rapen of perenbomen te kappen, omdat zij belangrijk voer voor de wilde zwijnen waren. Deze gedijden door het vreten van de vitaminerijke vruchten goed en werden uiteindelijk door jagers geschoten. De bloemen van de wilde peer worden bezocht door vele verschillende insecten.
Bescherming van de wilde peer Het is erg belangrijk dat de
wilde peer als bosboom niet uitsterft. In Duitsland is men bezig zaadgoed van de
deze boom te verzamelen en jonge bomen te kweken, die dan in bossen uitgeplant
worden.
Wilde pruim(Kroosjespruim)
 
Prunus domestica insititia (bot.)Rosaceae - roosfamilie
Pruimen kennen we als lekkere zomervruchten die we op de (super)markt kunnen kopen of in de eigen tuin kunnen oogsten. Er zijn blauwe, gele, groene, violette en geelroze soorten en allemaal zijn ze (mits goed rijp) sappig en zoet. Het zijn gecultiveerde, veredelde soorten (Prunus domestica). De wilde pruim, waar zij van afstammen, komt alleen nog maar op enkele plaatsen voor. In Europa is het de kroosjespruim (Prunus domestica insititia) in V.S. de Amerikaanse wilde pruim(Prunus americana, Prunus subcordata, Prunus maritima).
Verspreiding van de Europese kroosjespruim (Prunus domestica insititia) Volgens archeologische vondsten groeide de kroosjespruim al in het Stenen Tijdperk. Ook in Nederland zijn bij uitgravingen in Geldrop (N.-Br.) in een oude put pitten van de kroosjespruim gevonden. Hij zou vanuit de Kaukasus door de Kelten naar Europa gebracht zijn. Op leihellingen in Zuid-Duitsland (in het Zwarte Woud en rond Freiburg), langs akkers en in heggen is hij nog steeds te vinden. Op kleine schaal wordt hij op het Duitse eiland Mainau in het Bodenmeer geteeld. De Engelse naam damask Plum (prunum damascunum) betekent pruim uit Damascus. Dit duidt er op dat wilde pruimen ook gecultiveerd werden in de oudheid rond de stad Damascus, in Engeland geïntroduceerd door de Romeinen. Dit is waarschijnlijk omdat men op het eiland pitten bij archeologische uitgravingen in Romeinse kampementen gevonden heeft. Het is mij niet bekend dat er in
Nederland of België de kroosjespruim in het wild groeit. Hij is wel bij enkele
fruittelers van oude fruitrassen te koop.
Plantkenmerken Kroosjespruim is een bladverliezende, middelgrote fruitboom of heester (niet te verwisselen met sleedoorn), die in het voorjaar – voordat de bladeren verschijnen - met witte, geurende bloemen bloeit en kleine, ronde, violette vruchten draagt. De takken zijn gedoornd.
Amerikaanse Wilde Pruim (Prunus americana) Hij werd in Noord-Amerika geïntroduceerd door Engelse kolonisten. Het gaat om een forse struik met
vruchten die op kersen lijken. Hij groeit aan de randen van Oregon, Californië
en noordelijk Nevada en kan goed tegen extreme temperaturen. De smaak lijkt op
die van veenbessen. Indianen verzamelden de rijpe vruchten om deze te drogen.
Zodoende beschikten zij over een vitaminerijke wintervoorraad. De wilde pruim
werd in 1843 ontdekt door Kapitein Lassen, een pionier die op weg was vanuit
Oregon naar Californië. Omdat hij de vruchten lekker vond, nam hij enkele pitten
mee om deze uit te zaaien.
Pacifische of Westerse Pruim (Prunus subcordata) is een wilde pruimensoort die als brede struik of kleine boom in de VS langs canyons, op heuvels, langs rivieren en wegen en in open plekken van dennenbossen groeit. De Indiaanse Lakotastam noemde de maan in augustus ‘red plum moon’ omdat het de maand van de rijping is.
Prunus maritima (beach plum) is een vruchtdragende heester die langs de oostkust van de V.S. groeit.
Naamgeving De naam pruim is afgeleid van het Latijnse woord prunus die teruggaat naar het Griekse woord prounos, een oude naam voor de pruimenboom. Het Latijnse woord insititia betekent voor het enten gebruikt. Dit duidt erop dat deze wilde pruimensoort gebruikt werd als onderstam voor de veredeling van cultuurpruimen.
Gebruik Kroospruimen zijn rijk aan vitamine C en looizuur. Met veel suiker kan men ervan lekkere jam of gelei maken. Op alcohol wordt het pruimenjenever. Van de bladeren kan thee getrokken worden die goed is tegen hoest. In het Zwarte Woud maakt men van de wilde pruim de Zibarte -of Zibertlibrand, een bijzondere specialiteit op het gebied van ‘pruimen-schnaps’. Van het harde hout werden vroeger werktuigen, knopen en wandelstokken gemaakt. Voor de Indiaanse Omahastam was de pruimenbloesem het teken dat graan, bonen en pompoen gezaaid konden worden. De Dakota -Indianen gebruikten de pruimenpitten voor spelletjes. Voor hun ‘Sun Dance Ceremony’ gebruikten de Cheyenne – Indianen takken van de wilde pruim. Van de schors maakte men een medicijn tegen hoest, nier-en blaasaandoeningen en om te desinfecteren. Wilde Pruim is een door zijn uitgebreid wortelsysteem geschikte struik om erosie te voorkomen.
Symboliek en volksgebruik De wilde pruim is het symbool voor onafhankelijkheid. Het is de nationale bloem van Taiwan, vaak afgebeeld op Aziatische kunstwerken. Volgens een Oostenrijkse sage bevrijdt een jonge man een huis van giftige slangen door takken van een ‘kriechenbaum’ (kroosjesboom) in een kring te leggen. Nadat hij het hout in brand gestoken heeft, spreekt hij bezweringen uit. De slangen kruipen van alle kanten naar het vuur toe en gaan in vlammen op. De vrucht van de ‘zibartlibaum’ komt in veel sagen over dwergen voor.
Zoete Kers(Boskers of boskriek)
Prunus avium (bot.)
Rosaceae – Roosfamilie
Kriek is een bladverliezende wilde kersenboom, die in bossen kan uitgroeien tot een hoogte van 20 m. Hij is de stamvader (of - moeder) van vele gekweekte kersensoorten en bloeit eind april met sneeuwwitte vijftallige bloemen. Hij draagt in het najaar kleine zoete kersen en prachtig rood gekleurde bladeren. Het is een schitterende bos - en parkboom.
Naamgeving Prunus is het Latijnse woord voor pruim en kers die tot dezelfde familie behoren. Het toevoegsel avium betekent geliefd bij de vogels.
Verspreiding en standplaats De kriek is inheems in heel Europa, West-Siberië, Kaukasus, Noord-Afrika en Klein-Azië. Hij groeit daar op lichte plekken in laagland en gebergte (in de Alpen tot 1700 m), in loofbossen, langs bosranden, langs wegen, in houtwallen, liefst op vochthoudende, vrij diepe voedselrijke, kalkhoudende leemgrond. Maar we komen hem ook op zandgronden tegen. De gecultiveerde zoete kersen zijn door selectie ontstaan uit deze soort.
Plantkenmerken Krieken zijn tot 25 m hoge bladverliezende loofbomen met een korte stam en een ronde kroon. Wanneer de bomen dicht bij elkaar staan, hebben zij een lange stam zonder takken en een hoge kroon. De vrij stugge takken zijn schuin naar buiten gericht of staan rechtop . De bladeren zijn ellipsvormig en dubbelgezaagd. Aan de onderkant zijn zij dauwachtig behaard. Aan de bladsteel bevinden zich twee rode, gedeeltelijk geel gekleurde kliertjes. De decoratieve bloemen komen tegelijk met de bladeren midden april uit. Ze staan in schermachtige bundels bijeen. De bloemen zijn langgesteeld en tweeslachtig.
Hieruit ontwikkelen zich kleine,
licht - of zwartrode steenvruchten (kersen) met een gladde, bijna kogelronde
pit. Het vruchtvlees is bitterzoet. De kersen zijn erg geliefd bij vogels die
tevens voor verspreiding zorgen. De schors is eerst glad, glanzend grijs of roodbruin, met dwarse stroken afbladderend, later zwartgrijs en gegroefd. De kriek verjongt zich gemakkelijk uit zaad, maar ook door wortelopslag.
Gebruik Het hout bevat zachtroze spinthout rond een oranje tot licht roodbruine kern. Het hout lijkt op mahoniehout en wordt gebruikt in de meubelindustrie en voor voorwerpen die een recht boorgat vereisen, zoals pijpen en muziekinstrumenten.
Spreekwoorden ‘Vogels willen wel kersen eten, maar geen bomen planten’. ‘Met haar is het slecht kersen eten’. ‘Als ge met heren krieken eet, knippen ze met de pitjes.’ ‘Eet kersen als ze geboden
worden’.
Gebruik Vroeger werd het hars van de kriek als middel tegen hoest gebruikt. De stelen van het fruit werden gekookt en als middel tegen verkoudheid toegepast. Van de schors bereidde men een medicijn tegen bronchitis en winderigheid. Het sap van de vruchten bevordert bloedvorming en is bloeddrukverhogend. 'Kirsch' is een alcoholische drank die de spijsvertering bevordert. Minder bekend is zijn uiterlijke toepassing bij jicht, reuma en hartklachten. De pitten bevatten cyaanzuur, een sterk vergif. Een zakje, gevuld met verwarmde kersenpitten, helpt tegen een stijve nek.
Bescherming Boskrieken leveren een belangrijke bijdrage aan de natuurwaarden van het bos: het blad verteert snel en de bloemen en vruchten zijn belangrijk voor allerlei diersoorten. Ook als oude fruitsoort moet de boskriek beschermt worden.
Kwee(Kweeappel, kweepeer)
Cydonia oblonga (bot.)
Rosaceae - roosfamilie
Sinds de oudheid is deze fruitboom al in cultuur. Het is een langzame groeier die vanuit de struikvorm tot een kleine boom (ca.8 m) uitgroeit. Hij heeft prachtige, zachtroze bloemen en omgekeerd eivormige, welriekende vruchten. Onder gunstige omstandigheden kan kwee 50 jaar oud worden.
Herkomst Landen van oorsprong zijn West - en Centraal-Azië. Kwee werd door de Romeinen vanuit Kreta en Griekenland naar Europa gebracht. Daar waren kweeën bekend onder de naam “Mélon kydonion” wat betekent: appel uit een streek van Kreta. In Armenië en Klein-Azië komt de kwee
nog in het wild voor. Hij heeft daar kleine, gele vruchtjes. Kwee werd ca. 3000
jaar v.Chr. veredeld tot een ras met grote vruchten. MythologieIn het oude Griekenland was kwee het symbool voor liefde, geluk, vruchtbaarheid, wijsheid, schoonheid en eeuwigheid. In de Griekse mythologie is de kweeappel de vrucht van het noodlot, speelgoed van de goden en halfgoden. Hij was de vrucht van Aphrodite (godin van schoonheid en liefde) en Gaia (Godin van de aarde). De Trojaanse prins Paris overhandigde Aphrodite een kweeappel (de gouden appel), want hij had haar gekozen als mooiste aller godinnen. Zij 'schonk' hem als beloning de mooie Helena, waardoor de Trojaanse Oorlog veroorzaakt werd. Een Griekse bruid hield bij haar huwelijk een kweepeer in haar hand als symbool van haar plicht, haar echtgenoot liefde en geluk te schenken. PlantkenmerkenDe kweebladeren zijn eivormig, ca.1-2 cm lang en viltig. Van mei tot juni bloeit kwee met grote, decoratieve, witte tot zachtroze bloemen, die zich in september/oktober tot peer- of appelvormige, gele, iets viltige, aromatische, harde en wrange vruchten ontwikkeld hebben. Het Engelse woord quince betekent zuurpruim.Over de bloemen zeggen de Chinezen, dat zij de “kleur der roze wolken van de schemer”hebben. De bladeren zijn vrij groot en aan de onderzijde dicht viltig behaard.De rassen
zijn zelf-fertiel, .d.w.z. zelfbestuivend. Het hebben van
één ras garandeert dus al vruchtzetting. Voor de bestuiving zorgen hommels en
bijen.
|